Grootvader Willem stookt zijn eerste vat in een schuur achter de boerderij. Eén ketel, één recept, en de hele buurt als proefpanel. Het bier heeft nog geen naam — de mensen noemen het simpelweg “dat van Ketel”.
Grootvader Willem stookt zijn eerste vat in een schuur achter de boerderij. Eén ketel, één recept, en de hele buurt als proefpanel. Het bier heeft nog geen naam — de mensen noemen het simpelweg “dat van Ketel”.
De brouwerij verhuist naar het pand aan de Vaart. Zoon Dirk zet het eerste seizoensbier op de kaart en levert voor het eerst buiten het dorp. De koperen ketels van toen staan er nog steeds.
Een nieuwe generatie, nieuwe leidingen, dezelfde koppigheid. Ketel wint zijn eerste gouden medaille en de deuren van het proeflokaal gaan open voor bezoekers. Sindsdien is proeven aan de bron een zaterdagritueel.
Vier generaties later brouwen we nog op dezelfde plek. Kleinschalig, met eigen hop van het land ernaast — en met dezelfde koppige liefde voor bier dat de tijd mag nemen die het nodig heeft.